Main content

Ondersteuningsmodel inclusief onderwijs: krachten en middelen maximaal bundelen in het belang van het kind

29.03.2017
Advies
2016-2017/3

Ondersteuningsmodel inclusief onderwijs: krachten en middelen maximaal bundelen in het belang van het kind

De nota over het ondersteuningsmodel die de minister van Onderwijs in het kader van de implementatie van het M-decreet in januari 2017 aan de Vlaamse Onderwijsraad bezorgde bestaat uit twee delen. Het eerst deel licht twee principiële keuzes toe. Het tweede deel schetst de krijtlijnen voor een nieuw ondersteuningsmodel dat aangeeft op welke wijze scholen vanaf september 2017 ondersteund worden in het gaandeweg realiseren van inclusief onderwijs.

Het Kinderrechtencommissariaat adviseert om de krachten en middelen maximaal te bundelen in het belang van het kind. 

Het Kinderrechtencommissariaat

1. Kan zich vinden in enkele basisprincipes die de nota expliciet naar voren schuift:

  • Inclusief onderwijs als een recht voor kinderen met specifieke onderwijsnoden. We benadrukken dat dit conform het VN-verdrag over de Rechten van Personen met een Handicap wil zeggen: recht op inclusief onderwijs in de eigen woonomgeving. We adviseren in dat verband om
    • a) via het inschrijvingsrecht kinderen met specifieke onderwijsnoden meer kansen op inclusief onderwijs dicht bij huis te geven,
    • b) voor zover voor sommige kinderen ‘speciale leerplekken’ nodig zijn, die ook meer in te bedden in campussen met gewoon/inclusief onderwijs
  • Het koppelen van de fasen van het zorgcontinuüm  aan  verschillende types van ondersteuning en financierings­stromen, waarbij scholen
    • a) ‘basiszorg’ (fase 0) en ‘verhoogde zorg’ (fase 1) realiseren met algemene middelen en middelen die ze genereren op basis van achtergrond­kenmer­ken van hun leerlingen (SES, GOK, AN),
    • b) voor de ‘uitbreiding van de zorg’ (fase 2) en de ‘zorg op maat’ (fase 3, IAC) meer gerichte onder­steuning krijgen in functie van de specifieke onderwijs­behoeften van individuele leerlingen


2. Vreest evenwel dat het grotendeels ‘transitievolgend’ karakter van het financieringsmodel de overgang naar meer inclusief onderwijs afremt: omkadering en werkingsmiddelen volgen pas een jaar later. Daardoor gebeurt de transitie voor een deel op kosten van de leer­lingen met specifieke onderwijsnoden en hun ouders en gluurt het gevaar van sociale segregatie om de hoek.

3. Ziet in de geschetste krijtlijnen voor de organisatie van de specifieke ondersteuning een waardevolle aanzet om tot werkbare inclusie in onderwijs te komen. Elementen die we waarderen zijn:

  • Het bundelen van de middelen die nu verspreid zijn over onder meer GON, ION, GONASS en de waarborgregeling;
  • Het bundelen van krachten door de expertise uit het buiten­gewoon en gewoon onderwijs, CLB en PBD in te zetten in duur­zame, regionaal opererende, multidisciplinaire net- en niveau-over­stijgende ondersteunings­teams. Teams die elk, functio­nerend als een professionele groep, in hun werkingsgebied scholen voor gewoon onder­wijs ondersteunen op de klasvloer;
  • Het aansturen vanuit regionaal opererende samen­werkings­verbanden tussen scholen voor buitengewoon onderwijs, CLB en pedagogische begeleidingsdiensten;
  • Het mechanisme voor het verdelen van de middelen: eerst over de regio’s, waarbinnen vervolgens voor elke school ‘trekkings­rechten’ bepaald worden;
  • Het soepel inzetten van de ondersteuningsteams, zij het met focus op de ondersteuning bij fase 2 en 3 van het zorgcontinuüm;
  • Het behouden van leerlinggebonden handicap-specifieke ondersteuning.


4. Onderschrijft het belang van leerkracht- en teamgerichte ondersteuning. We vragen evenwel ook extra aandacht voor leerlingen met specifieke onderwijsnoden die lang­durige individuele ondersteuning nodig hebben. Het lijkt ons in dat verband  wenselijk dat leerlingen met een beperking de therapieën en behandelingen die ze nu in het buitengewoon onderwijs krijgen, ook in het inclusief onderwijs kunnen krijgen.

5. Deelt de bekommernis om zoveel mogelijk leerlingen mee te nemen in het of een gemeenschappelijk curriculum. Meer inclu­sief onderwijs en het doorvoeren van redelijke aanpassingen mogen er nooit toe leiden dat meer leerlingen dan nu functioneel ongeletterd de schoolbanken verlaten. We vinden het evenwel vreemd dat

  • die discussie gevoerd wordt in termen van een tegen­stelling tussen ‘intensieve remediëring’ versus ‘compen­serende en dispenserende maatregelen’.  Welke maat­regelen meest passend zijn moet voor elk kind met specifieke noden apart bekeken worden in functie van een maximale ontplooiing van zijn talenten en zoveel mogelijk met oog op een reguliere certifice­ring;
  • deze, in wezen belangrijke, principiële keuze terzijde aangesneden wordt in een paragraaf die voor de rest puur organisatorische elementen behandelt.


6. Begrijpt dat het ondersteuningsteam in principe ingezet wordt op vraag van de school, maar betreurt dat de nota niet voorziet in een bemiddelings­procedure als school, leerling en ouders of CLB het niet eens zijn of er een ondersteuningstraject nodig is of over de inhoudelijke invulling ervan.

7. Vindt het positief dat de nota voorziet in een extern kwaliteits­toezicht op de ondersteuningsteams. We zouden graag ook een regelmatige evaluatie zien van de mate waarin:

  • leerlingen met specifieke onderwijsnoden inclusief onderwijs in de omgeving van hun woonplaats vinden,
  • binnen het gewoon onderwijs in de regio’s leerlingen­stromen naar ‘expertisescholen’ ontstaan.

Bezorgd

We bezorgden het advies op 29 maart 2017 aan de Vlaamse volksvertegenwoordigers van het Vlaams Parlement en de bevoegde minister.

Contactpersoon

Jean Pierre
Verhaeghe
02-552.41.89.