Main content

Standpunt Kinderrechtencommissariaat over de Belgische kinderen in terroristische conflictzones in Syrië

06.11.2019

Op 6 november 2019 nodigde de Commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen van de Kamer onder andere kinderrechtencommissaris Caroline Vrijens en haar Franstalige evenknie Bernard De Vos uit voor een hoorzitting over de Belgische kinderen in de kampen in Noord-Syrië. 

Kinderrechtencommissaris Caroline Vrijens sluit zich aan bij de vraag van de Délégué Général des Droits de l’Enfant (DGDE), Child Focus en UNICEF om de Belgische kinderen van (voormalige) IS-vrouwen die nu in Syrië in de kampen verblijven veilig begeleid terug naar België te halen. Op 13 april 2018 maakte het Kinderrechtencommissariaat hier een standpunt over op dat nog steeds onverkort geldt.

In september 2019 verklaarde de kinderrechtencommissaris dit ook op een persconferentie georganiseerd door de Délégué Général des Droits de l’Enfant (DGDE), een team van de VUB en Child Focus. Tijdens deze conferentie steunde ook de heer Paul Van Tichelt, directeur van het Belgische Orgaan voor de Coördinatie en de Analyse van de Dreiging (OCAD) de vraag om terugkeer van de kinderen, ook vanuit veiligheidsoverwegingen. Deze maandag, 4 november, legde de directeur van UNICEF, Henrietta Fore, een verklaring af met de vraag aan de betrokken overheden om de kinderen te repatriëren voor het te laat is.

Deze kinderen zijn slachtoffer en geen dader. Ze zijn al meermaals in hun rechten geschonden: in hun recht op zorg, hun recht op een veilige omgeving, hun recht op onderwijs. We moeten ervoor zorgen dat we hen helpen.

De situatie is zeer dringend

De leefsituatie in de kampen was al schrijnend maar riskeert nu in de huidige context verder te escaleren door de gebeurtenissen in de regio van de afgelopen weken. Volgens OCAD, zou het om zo’n 69 Belgische minderjarigen gaan, waarvan de meerderheid zeer jong is (jonger dan 5 jaar). Volgens onze cijfers zou het om 29 kinderen uit Al Hol en de 11 kinderen uit Al Roj gaan.

Het oorlogsgeweld waaraan ze blootgesteld werden, de gewelddaden waar ze getuige van waren, hebben een zware negatieve impact op hun ontwikkeling, zowel in sociaal, moreel, emotioneel als cognitief opzicht. Vaak hebben ze allerlei traumatische ervaringen opgedaan en zijn ze bijzonder kwetsbaar door ondervoeding, verwaarlozing en diverse vormen van misbruik. We weten uit de missie van de VUB dat de meeste kinderen er slecht aan toe zijn en vaak gehuisvest zijn in gevaarlijke en ongezonde omstandigheden. 

Artikel 6 van het kinderrechtenverdrag waarborgt het recht op leven voor elk kind en verplicht de staten om het recht op leven en ontwikkeling te garanderen. Dit recht wordt voor deze kinderen ernstig bedreigd. We weten uit de recente missie van de VUB, DGDE en Child Focus dat het overgrote deel van de zeer jonge kinderen lijden aan een zware ondervoeding, infecties, brandwonden, ….

Artikel 19 van het kinderrechtenverdrag laat er geen twijfel over bestaan wat in zulke gevallen de plicht van de overheid is: de kinderen beschermen tegen het geweld, het misbruik, de verwaarlozing of de exploitatie waar ze het slachtoffer van zijn. Ook en juist als het de ouders zijn die hen in die situatie brachten.

Artikel 38 van het kinderrechtenverdrag eist bovendien dat de staten alle uitvoerbare maatregelen nemen ‘ter waarborging van de bescherming en de verzorging van kinderen die worden getroffen door een gewapend conflict’. 

Artikel 39 van het kinderrechtenverdrag verbindt de staten ertoe alle passende maatregelen te nemen ‘ter bevordering van het lichamelijk en geestelijk herstel en de herintegratie in de maatschappij van een kind dat het slachtoffer is van welke vorm ook van verwaarlozing, exploitatie of misbruik, foltering of welke andere vorm ook van wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, of gewapende conflicten’. En expliciteert dat dit herstel en deze herintegratie plaats moeten kunnen vinden ‘in een omgeving die bevorderlijk is voor de gezondheid, het zelfrespect en de waardigheid van het kind’.

Op grond van die bepalingen in het kinderrechtenverdrag dringen we erop aan dat de bevoegde Belgische en Vlaamse overheden:

  1. alle mogelijke inspanningen leveren om Belgische minderjarigen en ter plaatse geboren kinderen met een Belgische vader of moeder maar van wie de Belgische nationaliteit nog niet officieel vaststaat uit conflictzones te repatriëren, 
  2. alle inspanningen leveren om die kinderen en jongeren te re-integreren in de Belgische samenleving, met alle professionele hulp die daarvoor nodig is.

Repatriëring, herstel en integratie

Belgische kinderen in conflictzones in het buitenland opsporen en repatriëren is geen eenvoudige klus, in het bijzonder als de communicatie met lokale autoriteiten beperkt is, moeizaam verloopt of onmogelijk is. Toch menen we, op grond van de genoemde bepalingen in het kinderrechtenverdrag dat België alle mogelijke inspanningen moet leveren om Belgische minderjarigen terug naar België te halen. Welke passende maatregelen vervolgens genomen moeten worden, is een beslissing die na de repatriëring, hier in België, geval per geval bekeken moet worden.

De problematiek van terugkerende Syriëstrijders wordt door overheden in de eerste plaats vanuit veiligheidsoogpunt bekeken. Dat overheden die veiligheidsoverwegingen ook laten meespelen als het over kinderen of tieners gaat die een training in wapengebruik kregen of actief meededen aan gewelddaden is uiteraard ook begrijpelijk.

Het gaat echter vaak om zeer jonge kinderen. Vanuit kinderrechtenoogpunt gaat het bij minderjarigen bovendien in de eerste plaats om kinderen en jongeren in een verontrustende opvoedingssituatie (VOS). Alle minderjarigen in buitenlandse conflictzones moeten we beschouwen als slachtoffer, wat ook hun leeftijd is. Gegeven dat ze ook in psychisch, moreel en sociaal opzicht nog in volle ontwikkeling waren en zijn, mogen we er niet van uitgaan dat een eventuele rekrutering of deelname aan gewapende of gewelddadige activiteiten op vrijwillige basis gebeurde. Ingeval er aanwijzingen bestaan dat ze actief betrokken waren in ‘als misdrijf omschreven feiten’, is het aan de bevoegde jeugdrechtbank in België om te bepalen welke maatregelen gepast zijn om hun herintegratie in de Belgische samenleving mogelijk te maken. Er moet geval per geval bepaald worden welke maatregelen en professionele hulp nodig zijn om het herstel en de herintegratie van de betrokken kinderen en jongeren te bevorderen. Er moet hierbij gezorgd worden voor een multidisciplinaire benadering met voldoende aandacht voor de behandeling van post-traumatische stress-symptomen.

Overleg met het Agentschap Jongerenwelzijn leert ons dat de jeugdhulp in Vlaanderen indien dit aangewezen is voor bepaalde kinderen, voorbereid is om aan deze groep kinderen en jongeren een gepast hulpverleningsaanbod te bieden. Men erkent binnen het agentschap heel duidelijk dat het om een diverse doelgroep gaat waarvoor dus een divers aanbod voorzien dient te worden. Wij onderschrijven de keuze van het Agentschap Jongerenwelzijn om daarbij zowel beroep te doen op het reguliere hulpverleningsaanbod (pleegzorg, mobiele begeleiding, OOOC, de Gemeenschapsinstellingen,…) als op een gespecialiseerd aanbod (zoals de trajecten intensieve kortdurende contextbegeleiding).

Het Kinderrechtencommissariaat werd in het verleden gecontacteerd door bezorgde grootouders die willen dat hun kleinkinderen dit overleven en niet de gevolgen moeten dragen van de keuze die de ouders maakten. Deze grootouders willen vaak een rol willen opnemen in de zorg voor de kinderen als deze terugkomen.