Main content

Leerlingenvervoer vraagt dringend om oplossing

02.09.2021
Schoolbus met instappend kind en stoplichten aan

Leerlingenvervoer garandeert het recht van kinderen met een beperking op bijzondere zorg, onderwijs en training. Het is en blijft een indrukwekkende inspanning van de overheid dat gezinnen kunnen rekenen op leerlingenvervoer. Bijna 38.000 kinderen in het buitengewoon onderwijs maakten daar in het schooljaar 2019-2020 gebruik van. Voor veel gezinnen is het een noodzakelijke ondersteuning: scholen voor buitengewoon onderwijs liggen gemiddeld een stuk verder van thuis. Het buitengewoon onderwijs geografisch beter spreiden en zo dichter bij huis brengen, bijvoorbeeld door vestigingsplaatsen op campussen van scholen voor gewoon onderwijs in te richten, zou het probleem van het leerlingenvervoer helpen milderen.

Al jaren klachten over leerlingenvervoer

Toch loopt het vervoer niet voor iedereen op wieltjes en komen onderwijs of zorg soms in het in gedrang. Al jaren krijgt het Kinderrechtencommissariaat vragen en klachten van kinderen en jongeren, ouders en grootouders, hulpverleners, internaten en scholen.

We signaleerden al herhaaldelijk onze grote bezorgdheid over de honderden leerlingen die elke dag langer dan drie en een half uur (220 minuten) op de bus van en naar hun school zitten. Op sommige bussen zitten 50 kinderen.

Sommige bussen komen structureel te laat op school, waardoor leerlingen lesuren missen. En erger: soms kiezen ouders niet voor het meest geschikte type onderwijs, omdat de school dan veel verder weg van huis ligt.

Ook de kwaliteit van het busvervoer moet beter, zowel pedagogisch als infrastructureel. Er rijden bussen die geen werkende lift hebben, waardoor leerlingen in een rolstoel niet mee kunnen, behalve als ouders en chauffeurs de rolstoel zelf in de bus tillen. 

De impact op kinderen is groot. Ze moeten heel vroeg opstaan om op tijd klaar te staan voor de bus. Door de lange busrit worden kinderen moe of zijn ze al gestrest als ze op school aankomen. Ze zijn doodmoe als ze weer thuis komen. ’s Avonds is er vaak weinig tijd over om nog iets leuks te doen. Het leerlingenvervoer heeft impact op het hele gezin.

Verschillende rechten komen zwaar onder druk:

  • Het recht op integriteit
  • Het recht op vrije tijd 
  • Het recht op eerbiediging van gezins- en familieleven
  • Het recht op onderwijs
  • De menselijke waardigheid
     

Exact een jaar geleden trokken we bij de bevoegde ministers aan de alarmbel toen ouders, scholen en internaten meldden dat kinderen soms vijf uur per dag in de bus zaten. Dat kwam door een coronamaatregel: lagereschoolkinderen moesten in een andere bus dan scholieren. De overheid reageerde snel en ook De Lijn en de scholen konden snel schakelen. Leerlingen van basis- en secundair onderwijs hoefden niet langer in aparte bussen. Dat had een positieve impact op heel wat kinderen en jongeren.

Vandaag trekken we opnieuw aan de alarmbel. Het hele voorbije schooljaar bleven we klachten krijgen. Ook na de aanpassing zaten veel kinderen nog elke dag drie tot vier uur in de bus. Vandaag bij de start van het nieuwe schooljaar, ontvangen we opnieuw heel wat klachten. Over de lange busritten, over de laattijdige communicatie van de busuren, over het toenemend aantal leerlingen die vervoerd worden met hetzelfde aantal bussen. We luisteren, signaleren en bemiddelen waar kan.

Melders tonen vaak begrip. Ze begrijpen dat het leerlingenvervoer niet in een-twee-drie kan verbeteren. Maar de problemen slepen al zo lang aan. Onze uitgebreide knelpuntennota dateert ondertussen van 2013 en kwam er na jaren van klachten. Het beleid volgde met actiefiches (2014), een conceptnota (2015) en pilootprojecten (vanaf 2017) die experimenteren met multimodaal vervoer.

Het collectief leerlingenvervoer is een complex probleem waar veel actoren rechtstreeks of onrechtstreeks bij betrokken zijn: kinderen, ouders, scholen, internaten, onderwijsadministratie, onderwijsnetten, De Lijn en andere vervoerders. De laatste jaren groeide er consensus dat de kinderen minder lang onderweg moeten zijn. De organisatie van het leerlingenvervoer moet flexibeler kunnen. En de kwaliteit van het busvervoer moet beter, zowel pedagogisch als infrastructureel.

Het Kinderrechtencommissariaat zit al van bij de start in de klankbordgroep van de pilootprojecten. De pilootprojecten in Leuven, Roeselare en Antwerpen tonen dat er ruimte is voor meer maatwerk. De uitrol van het nieuwe model over heel Vlaanderen is pas voorzien in september 2022. Hoewel het belangrijk is genoeg tijd te nemen om te testen en te evalueren met het oog op de realisatie in heel Vlaanderen, blijkt uit de vele klachten die we krijgen dat er echt sneller verandering nodig is.

We hopen dat er heel snel een oplossing komt voor deze leerlingen en hun ouders. We lijsten enkele aanbevelingen op.

Aanbevelingen voor leerlingenvervoer afgestemd op de zorgnoden van de leerling en zijn gezin

  • Bepaal centraal kwaliteitseisen voor een leerlingenvervoer en mobiliteitsondersteuning op maat.

Kwaliteitsvol leerlingenvervoer is toegankelijk, comfortabel, veilig, beperkt in reistijd, versterkt kinderen en brengt hen naar de meest geschikte school. Er zijn duidelijke kwaliteitseisen nodig voor overleg en evaluatie in het toekennen van het recht op leerlingenvervoer en mobiliteitsondersteuning. We vragen centraal bepaalde kwaliteitseisen waarmee verschillende lokale besturen, onderwijskoepels en sociale organisaties aan het werk kunnen gaan in hun verzorgingsgebied.

  • Zorg voor een duurzaam systeem van mobiliteitsondersteuning.

Het Kinderrechtencommissariaat vraagt een systeem dat toepasbaar is in het veranderend onderwijslandschap dat evolueert naar meer inclusie. Hoe het recht op leerlingenvervoer in het buitengewoon onderwijs zich verhoudt tot de keuze voor inclusief onderwijs is onduidelijk. Wij vragen hiervoor aandacht in de pilootprojecten. Een duurzaam systeem zet in op meerdere vervoersmogelijkheden.

  • Bouw bruggen tussen onderwijs, mobiliteit en welzijn.

Maak leerlingenvervoer onderdeel van het basisrecht op mobiliteit aangepast aan de onderwijs- en zorgnoden van het kind en zijn gezin. Ook het toekennen van het recht op leerlingenvervoer is een gedeelde verantwoordelijkheid van onderwijs, mobiliteit, gezin en sociale organisaties (sociaal beleid).

  • Maak mobiliteit maximaal toegankelijk.

Toegankelijkheid is een basisrecht voor iedereen. Enkel zo kunnen jongeren, in al hun diversiteit en in verschillende situaties, op een veilige en gebruiksvriendelijke manier gebruikmaken van de publieke ruimte. Zorg voor redelijke aanpassingen voor zij die het nodig hebben.

  • Zet in op participatie, betrek kinderen en gezinnen.

Het Kinderrechtencommissariaat onderlijnt het belang van participatie. Kinderen en ouders horen actief betrokken te worden. Hun mobiliteitsbehoeften moeten grondig in kaart gebracht worden en ze moeten geconsulteerd worden. We pleiten niet alleen voor een toezichtsmechanisme, maar ook voor een klachtmechanisme die minderjarigen en hun ouders toelaten allerlei problemen aan te kaarten dus ook over leerlingenvervoer.

  • Zet lokaal in op leerlingenmobiliteit.

Steden en gemeenten hebben vanuit hun regierol een belangrijke sleutel in handen om netoverstijgend vorm te geven aan leerlingenmobiliteit. We dringen erop aan om de noden van leerlingen in kaart te brengen voor hun verplaatsing naar school. Wat zijn de mogelijkheden van elke leerling? Wat is hun persoonlijke situatie? Wat is hun gezinssituatie? Breed overleg over aangepast, haalbaar en comfortabel vervoer voor leerlingen is essentieel.

  • Zet verder in op inclusieve opvang, binnen en buiten de school.

Leerlingen kunnen hun huiswerk dan al maken of spelen in de plaats van in de bus te zitten. Ouders of hun netwerk kunnen hun kind misschien zelf ophalen door het latere uur. Dat maakt het gemakkelijker te combineren met hun werk.

  • Verhoog het aantal mobiliteitscoaches.

Zij begeleiden een traject en kunnen fiets- en wandelpools organiseren. Zij kunnen met de leerlingen oefenen om misschien op langere termijn een zelfstandig parcours af te leggen.

  • Leg de maximumduur van de rit decretaal vast op 120 minuten per dag.

Kinderen zouden ’s ochtends en ’s avonds niet langer dan 60 minuten onderweg mogen zijn. Een uitzondering kan voor kinderen die maandag van heel ver naar een residentiële setting gebracht worden en op vrijdag terug naar huis.